Schmitt en de bewakers
De eerste gevangenen
De Aufnahme
Levensomstandigheden
Maler Stube
Geweld en vernedering
Machtsovername door Frank
Zigeuners
Bevrijding
Schmitt en de bewakers
Op 15 juli 1942 wordt SS-Sturmbannführer Philipp Schmitt, al sinds
1925 lid van de nazipartij, belast met de organisatie van de Dossinkazerne
als verzamelkamp voor joden. Majoor Schmitt is ook al commandant van
het concentratiekamp Breendonk. Hij heeft een zodanig vreselijke
reputatie opgebouwd, dat Generaal Von Falkenhausen, de militair bevelhebber
van België en Noord-Frankrijk, zich ongerust maakt bij het idee
dat Breendonk de geschiedenis zou ingaan als “de hel van Breendonk”.
Terreur en geweld zijn de geliefkoosde wapens van Schmitt. In Mechelen
zal hij dat opnieuw bewijzen, met de hulp van geroutineerde SS-bewakers.
Een
tiental Duitse SS-ers zwaait de plak in de kazerne. Zij krijgen versterking
van evenveel Vlaamse SS-ers. De buitenwacht wordt tot december 1942
verzekerd door de Wehrmacht en daarna door een compagnie van Vlaamse
SS-ers die ter beschikking gesteld wordt van de kampcommandant. Een
kleine zestig nazi’s, Duitsers en Belgen, volstaan dus om het
kamp te controleren.

Philipp Schmitt met zijn hond Lump in Breendonk
(© Coll. Spronk – SOMA)
<Top>
De eerste gevangenen
Op 22 juli worden verscheidene joden, waaronder meer dan tien vrouwen,
gearresteerd op de trein tussen Brussel en Antwerpen. Zij worden naar
Breendonk gestuurd. Ze zullen het “administratieve geraamte” vormen
van het kamp van Mechelen. Op 27 juli worden ze daarheen overgebracht,
enkele uren voor de aankomst van de eerste “verplicht tewerkgestelden”.
Bij
de administratie zijn vooral jonge, mooie en vaak meertalige secretaressen
tewerkgesteld. Zij moeten de nieuwe gevangenen inschrijven op de transportlijsten.
Deze lijsten tonen ons vandaag met een grote precisie de realiteit over
de deportatie van Mechelen naar Auschwitz.

Transportlijst (© Dienst Oorlogsslachtoffers)
Vanaf 27 juli is het kamp van Mechelen operationeel. Op 4 augustus verlaat
het eerste konvooi het kamp om naar Auschwitz-Birkenau gebracht te worden.
Op 100 dagen tijd zullen bijna 17.000 joden door Mechelen passeren om
naar Auschwitz gedeporteerd te worden. Hun tussenstop in de Dossinkazerne
is meestal kort, nauwelijks langer dan een week. De nazi’s doen
er veel langer over om de latere konvooien bijeen te brengen. Na die
eerste 100 dagen, blijven de gevangenen dan ook langer in de Kazerne.
<Top>
De Aufnahme
Bij hun aankomst worden ze overgelaten aan de dienst Aufnahme,
het ‘ontvangst’-bureau van adjunct-majoor Max Boden, een
oud politieman. De gevangenen die bestemd zijn voor de uitroeiing worden
gescheiden van de gevangenen die dat niet zijn. De Belgische burgers,
die slechts 6% van de joodse gemeenschap in het land uitmaken, kunnen
pas gedeporteerd worden vanaf september 1943. De houders van exotische
paspoorten en de joden die uit gemengde gezinnen komen, gedoopt zijn
of getrouwd met Ariërs, worden onderworpen aan een specifiek onderzoek
en blijven, in afwachting van het resultaat, langer in Mechelen.
Bij
het ontvangstbureau krijgen de gevangenen een identiteitsdocument: een
kaartje dat met een touwtje rond de hals gedragen moet worden. Hierop
staat informatie aangeduid over hun transport of over hun statuut in
het kamp.
De vrouwen
die bij de Aufnahme tewerk gesteld zijn, maken per persoon een fiche
op, schrijven de informatie over op transportlijsten en nemen de gevangenen
hun papieren af. Sommige getuigenissen beschrijven hoe in de periode
waarin Majoor Schmitt het bevel had, identiteitspapieren, persoonlijke
documenten en familiefoto’s systematisch vernietigd werden.
In 1943 al getuigde Jos Hakker, die ontsnapt was uit het XVIIIe konvooi
van 15 januari, in de clandestiene pers :
“Ik
heb gezien, en misschien is dat nog het meest afschuwelijke, dat alle
foto’s van vrouwen, kinderen, vaders en moeders vernietigd werden,
de identiteitspapieren, paspoorten, brieven, attesten werden afgepakt
en verscheurd.”

De Aufnahme. Potloodtekening door Irène
Awret.
(© Beit Lohamei Haghetaot)
<Top>
Levensomstandigheden
Het leven in de Dossinkazerne is een kazerneleven. De hygiënische
omstandigheden zijn relatief aanvaardbaar. Op de slaapzalen staan ijzeren
bedden maar vanaf oktober 1942 slapen de gevangenen op strozakken op
de grond.
Zij
hebben het recht pakjes te ontvangen en levensmiddelen die noodzakelijk
zijn om de rantsoenen die dagelijks uitgedeeld worden aan te vullen.
Ze worden 22 uur van de 24 op de slaapzalen gehouden.
In de
tweede fase van de geschiedenis van het Mechelse kamp, wanneer
Frank de commandant wordt en de het ritme van de konvooien veel minder
hoog ligt, kent het kamp problemen met overbevolking en hygiëne.
Bepaalde gevangenen lijden honger, vooral de armen en geïsoleerden,
zij die geen levensmiddelen van buiten het kamp kunnen krijgen. Verscheidene
ziekten doen de ronde: schurft, impetigo, enz… Vooral de kinderen
worden getroffen.
Wanneer
het verblijf langer wordt, vechten de gevangenen tegen de verveling.
Ze organiseren conferenties, lessen, klasjes voor de kinderen, artiesten
uiten zich in kunst, het religieuze leven wordt weer belangrijker, huwelijken
worden stiekem voltrokken, …
Hebreeuwse huwelijksakte (ketoeba) van Rachel
Mandel en Israël Iszaak Lipschitz, opgemaakt
in het verzamelkamp.
(© JMDV)
|
Portret door Israël Lipschitz van zijn
vrouw Rachel Mandel. (© JMDV)
|
"Op de vooravond van Sabbat, 27ste dag
van de maand Tammouz van het jaar 5703 sinds de schepping van de
wereld volgens onze berekening hier in Mechelen, zegt de jonge man,
de verloofde, de waardige R. Yisraël Yits'hak, zoon van R.
Yehouda Joël aan het jong meisje Ra'hel, dochter van R. Refaël:
‘wees mijn vrouw volgens de wet van Moshe en Israël.
Ik zal werken, ik zal je vereren, ik zal je voeden en onderhouden
zoals het gebruikelijk is bij joodse mannen die echt werken, hun
vrouwen vereren, voeden en onderhouden. Ik geef je in douarie in
geld twee honderd centen die jou toekomen volgens de Thora. Jouw
voedsel, kleding en onderhoud zullen gegarandeerd worden volgens
het algemeen gebruik’. Het jong meisje, Juffrouw Ra'hel heeft
toegestemd en is zijn vrouw geworden (…).” |
<Top>
Maler Stube
Het kamp kent ook een tekenkamer of Maler Stube. Onder de gevangenen
bevinden zich namelijk enkele schilders en tekenaars. Zij krijgen in
de Maler Stube de opdracht de nummers voor de gevangenen te
tekenen, bordjes te schilderen, enz. Onder hen bevinden zich enkele
gerenommeerde kunstenaars, zoals Léon Landau uit Antwerpen, Irène
Spicker en haar toekomstige echtgenoot Azriel Awret uit Brussel en Jacques
Ochs uit Luik. Net zoals in andere kampen houden de nazi's ervan geportretteerd
te worden.
Dankzij hun geprivilegieerde positie slagen de kunstenaars
erin heimelijk ook andere beelden vast te leggen: scènes uit
het leven in het kamp, portretten van gevangenen en karikaturen. Die
werken, voornamelijk deze van Felix Nussbaum uit Oostende, maken deel
uit van de erfenis van de Kunst van de Shoah, en zijn internationaal
bekend. Hun werken worden in het museum tentoongesteld als stille getuigen
van het 'geestelijk verzet'.

Een vrachtwagen wordt uitgeladen op de binnenplaats
van de kazerne. Tekening door Irène Spicker-Awret.
(© Beit Lohamei Haghetaot)
<Top>
Geweld en vernedering
Onder het juk van Phillip Schmitt kenden de bewakers geen mededogen.
De gevangenen hadden alle reden om het ergste te vrezen, nog vóór
ze hun plaatsen innamen in de wagons die hen naar Auschwitz zouden voeren.
Hun leven werd niet rechtstreeks bedreigd, maar de
Dossinkazerne was daarom niet minder een wachtkamer van de dood. De
joden werden, in de minuten die volgden op hun aankomst in het kamp,
fysiek, mentaal en moreel gebroken door Boden en zijn handlangers. Die
bevredigden volledig straffeloos hun sadistische en perverse instincten.
De vrouwen waren de meest voor de hand liggende slachtoffers
van de nazi’s van dienst. Sommige slachtoffers hebben na de oorlog
getuigd over de doorstane vernederingen:
“Wij werden op een rij gezet,
helemaal uitgekleed in de grote ruimte. De gearresteerde mannen, de
mensen van de Aufnahme en de soldaten stonden erbij. Boden was daar
ook. We stonden allemaal naakt daar in die grote ruimte. Sommige vrouwen
werden grondiger onderzocht door de soldaten…”
Met “grondiger” bedoelt deze getuige een
vorm van publieke verkrachting. Een ander vrouw treedt meer in detail:
“Ik moest me helemaal uitkleden.
Ik had geen broekje of hemdje meer aan. Boden dwong me voorover te
buigen en onderzocht me. Ik moest de hele tijd op mijn voeten blijven
staan. Boden heeft zijn hand op mijn naakte lichaam gelegd. Hij heeft
mijn genitaliën aangeraakt. Boden heeft niet gezegd waarom ik
me uit moest kleden. Ik kon me voorstellen dat dat was omdat ik iets
op die plaats had kunnen verbergen. Boden leek veel plezier te hebben,
zijn gezicht straalde, … Ik moest me omdraaien, bukken. Boden
heeft me niet meer aangeraakt. Ik mocht me weer aankleden.”
Ook de mannen ondergingen een redeloze gewelddadigheid…
Bernard Vander Ham, een “gemengde” Belgische jood van 49
jaar, werd het mikpunt van SS-er Boden die er niets beters op gevonden
had hem valse pakjes op te sturen (met een baksteen erin) en hem vreselijk
slecht behandelde. In de koude nacht van 4 op 5 maart 1943 werd Vander
Ham geslagen en met ijskoud water overgoten door Boden en de Vlaamse
SS-er Poppe die allebei een stuk in hun kraag hadden. De volgende ochtend
was Bernard Vander Ham dood. De officiële doodsoorzaak luidde:
hartstoornis.

“Controle van de voeten” te Mechelen
(© Alte Synagog, Essen)
<Top>
Vander Ham is de enige die bezwijkt aan mishandelingen in de Dossinkazerne.
Mensen sterven niet in Mechelen… of maar zeer zelden. Ze hebben
de tijd niet om er te sterven. Er vielen slechts 52 doden op 26.000
personen die door de Dossinkazerne gingen.
Onder deze 52 doden telt men de slachtoffers van een
dramatisch incident dat zich voordeed bij de arrestatie van 145 Belgische
joden in Antwerpen. Toen zij vervoerd werden in een hermetisch gesloten
verhuiswagen, stikten de gevangenen in de aanhangwagen omdat de chauffeurs
de tijd namen om een paar glaasjes te blijven drinken onderweg naar
Mechelen. De weg, die normaal een half uurtje moest duren, nam nu 3
uur in beslag. Bij de aankomst waren negen joden tussen 17 en
70 jaar niet meer in leven.
Als het Boden niet is, is het Schmitt wel die een aanslag
pleegt op de waardigheid van de gevangenen. Aan de vooravond van het
vertrek van het VIIIste konvooi van 8 september 1942, organiseert hij
een openbare vernedering van religieuze joden. De SS-ers knippen de
helft van hun baarden en hun oorlokken eraf, beschilderen hun kleren
met hakenkruisen en dwingen hen te dansen en te zingen… Het voorval
is vereeuwigd op één van de zeldzame foto’s die
in het kamp getrokken werden. Bij een gymnastieksessie die de gevangenen
wordt opgelegd, laat de commandant zijn hond los op Herman Hirsch, 20
jaar oud. Zijn been zal afgezet moeten worden.

Vernedering van gevangenen in de Dossinkazerne
(© JMDV – Fonds Schmidt).
<Top>
Machtsovername door Hans Johannes Gerard Frank
Het verzamelkamp van Mechelen kent in zijn geschiedenis twee verschillende
fases. Na de gewelddadigheid van Schmitt komt de schijnbare gematigdheid
van adjunct-majoor Frank, een oud politieman. Het is een banaal voorval
dat aan de basis ligt van de machtsovergave en de val van Majoor Schmitt
en zijn mannen.
Vanaf november 1942 vertraagt het ritme van de transporten
richting Auschwitz. De joden verblijven langer in Mechelen, meestal
hoogstens drie maanden. De SS-er Kurt Asche, die belast is met Joodse
Zaken in Brussel, plant dat “het kamp van Mechelen een werkkamp
zal worden… en de Joden zullen gebruikt worden… voor bestellingen
voor de Wehrmacht”.
Majoor Schmitt stampt naaiateliers uit de grond, productieateliers
van werkkleren, lederbewerking, schoonmaakproducten en recipiënten.
Maar met zijn twee medeplichtigen, de ondercommandant, SS-Hauptsturmfürher
Rudolf Steckmann en onderluitenant SS Karl Mainzhausen, die verantwoordelijk
was voor het Duitse, het Belgische en joodse personeel in het kamp,
drukken zij de inkomsten en de producten van die ateliers achterover…
Dit gebeurt via Léon Krynek, een opgesloten joodse zakenman die
het kamp mocht verlaten om zijn contacten aan te wenden in het voordeel
van de nazi-officieren.
Als Majoor Schmitt verlof krijgt en de ondercommandant
Steckman verplicht naar Breendonk moet terugkeren, stuurt de Sipo/SD
Adjudant-Majoor Frank naar Mechelen. Frank ontdekt het gesjoemel. In
april 1943 verklikt hij de twee officieren die schuldig bevonden worden
aan het handeltje.
Majoor Schmitt wordt uit zijn functie van commandant
van Mechelen ontzet maar blijft op post in Breendonk, waar hij zijn
rechterhand, Steckman, vervoegt. Onderluitenant Mainzhausen wordt naar
het Russische front gestuurd. De zakenman Léon Krynek wordt met
het XXste konvooi van 19 april weggevoerd, samen met de joden die in
de ateliers tewerk gesteld waren.
Het is adjunct-majoor Frank die benoemd wordt als commandant
van het verzamelkamp. De brutaliteiten zwakken wat af, het leven van
de gevangenen wordt een tikje beter. Buiten de dagen die voorafgaan
aan het vertrek van de konvooien naar Auschwitz, krijgen de gevangenen
in de kazerne wat meer te eten. De pakjes komen ongeopend aan, er wordt
zelfs nu en dan bezoek toegestaan.

Interneringsattest ondertekend
door Commandant Frank (© JMDV)
<Top>
Zigeuners
De zigeuners zullen nooit een verbetering in het regime kennen. Hun
opsluiting blijft steeds even gruwelijk. In tegenstelling tot de joodse
gevangenen worden de zigeuners opgesloten in de kelders van de kazerne.
Omdat zij geen pakjes mogen ontvangen van buitenaf, zijn ze uitgehongerd.
Ze slapen op strozakken, hebben geen recht op sanitair of op medische
verzorging. Zij worden geïsoleerd van de andere bewoners van de
kazerne. Hun dagelijkse wandeling wordt tot een uur beperkt. Een uur
dat meestal pijnlijk is, brutaal, vernederend: drie muzikanten worden
gedwongen muziek te spelen terwijl de vrouwen geslagen worden door de
SS-ers. Aan het einde van de wandeling, worden ze weer meegenomen en
opgesloten in hun kelders.
De joodse gevangene Hélène Beer schrijft
in haar getuigenis :
“Daar was het dus dat de zigeuners geleefd hadden,
een maand lang, in deze donkere zaal met gesloten ramen. Bij de ingang
stootte men op de beertonnen. Ze stonden in een hoekje van de zaal
en stroomden over. Dag en nacht bleven ze in die kamer staan en vulden
die kamer met hun stank. Nochtans – alsof dat nog niet
genoeg was – , was ook de vloer bedekt met uitwerpselen. De
strozakken waren allemaal opengescheurd, de gamellen en potten
zwart van de rook”.

Nomaden op de zigeunerbegraafplaats
te Elewijt bij Mechelen (© SOMA)
<Top>
Bevrijding
In de nacht van 3 op 4 september 1944 verlaten de SS-ers en hun helpers
het kamp. De 527 gevangenen wachten “braaf” in het kamp,
zoals commandant Frank hen de avond voor zijn vertrek opgedragen had.
De stad Mechelen wordt op 4 september bevrijd. Blijkbaar
heeft niemand zich iets aangetrokken van het lot van de mensen die nog
in de Kazerne zaten.

De bevrijding van Brussel (© JMDV)
<<-- Vorige
pagina - Volgende pagina -->>
<Top>